Narcissen in de Hortus
Van 29 maart - 29 april 2012 is er een tentoonstelling van narcissen in de Hortus.
-
Een kleine tentoonstelling die het bezoek aan de Hortus botanicus Leiden in het voorjaar extra de moeite waard maakt. Lees over de bloembiologie, de familierelaties en de wetenschappelijke belangstelling voor de narcis, en wandel langs de twintig tot dertig kruiwagens die door de tuinlieden van de Hortus elk met een andere narcis beplant zijn. Zo kunt u de bloemen gemakkelijk van dichtbij bekijken en besnuffelen. Ook elders in de Hortus zijn extra veel narcissen aangeplant.
Openingstijden tentoonstelling: 29, 30 en 31 maart van 10.00-16.00 uur, vanaf 1 april 10.00-18.00 uur.
Op 8 april: Zondagwandeling: De geelste, de giftigste… narcissen en andere bolbloeiers door Kees Langeveld
Op de foto Narcissus ‘Actaea’ uit de collectie van narcissenleverancier De Vroomen.
- Narcissen in de Hortus
Bron: Vriendennieuws april 2012
Auteur: Kees LangeveldNarcissen hebben als bolgewas altijd een beetje in de schaduw gestaan van de tulp en de hyacint, zo is mijn indruk. We kennen de tulpengekte van de 17e eeuw en de windhandel in hyacinten van de 18e eeuw, maar bij narcissen is daar nooit sprake van geweest. Hopelijk krijgt het enthousiasme voor de narcis komend voorjaar een stimulans, als in de Leidse Hortus een narcissententoonstelling wordt gehouden. Die tentoonstelling duurt van 29 maart tot en met 29 april; een mooie aanleiding om in het Vriendennieuws eens uit te wijden over de narcis.
- Narcissus
Het verhaal achter de naam ‘narcis’ is vrij bekend. De oorsprong is een Griekse mythe over de jongeling Narkissos, zoon van de riviergod Kephissos en de nimf Leiriope. De Romeinse dichter Ovidius vertelt in zijn Metamorphosen hoe iedereen, meisjes zowel als mannen, getroffen was door de schoonheid van de jongeling Narcissus. Maar de hooghartige Narcissus kende geen liefde voor anderen. Zelfs de avances van de hartstochtelijk verliefde nimf Echo lieten hem koud. Echo riep de hulp in de van Nemesis, god van de wraak, die Narcissus naar de rand van een meer met kristalhelder water bracht. In het water zag Narcissus zichzelf en prompt werd hij verliefd op zijn eigen spiegelbeeld. Door eigenliefde verteerd kwijnde de jongeling weg. Op de plek waar hij gestorven was, aan de rand van het meer, vonden Echo en de treurende nimfen een kring van gele bloemen: de eerste narcissen.
- Wilde narcissen in Nederland
In Nederland is de Wilde narcis (N. pseudonarcissus subsp. pseudonarcissus) de enige narcissensoort die als wilde plant voorkomt. Deze soort heeft een gele bijkroon in de vorm van een trompet en lichtgele kroonslippen. In 1662 werd de Wilde narcis al vermeld door Bruman, in de omgeving van Zwolle. De groeiplaatsen in Zuid-Limburg sluiten aan bij natuurlijke groeiplaatsen in de Ardennen. Deze soort komt voor in een groot deel van West-Europa, van Groot-Brittannië zuidwaarts tot Midden-Spanje en oostwaarts tot Beieren en Italië. Als wilde plant behoort Wilde narcis tegenwoordig tot de zeldzaamste leden van de Nederlandse flora. Op de meeste plaatsen, zeker in de westelijke helft van Nederland, gaat het om verwilderde exemplaren.
Een andere soort die in Nederland verwilderde, is de Witte narcis of dichtersnarcis (N. poëticus). Ik heb ze in wegbermen in de Bollenstreek en zelfs midden in de Amsterdamse Waterleidingduinen gevonden, ogenschijnlijk spontaan opgekomen maar waarschijnlijk opgeslagen uit weggeworpen bollenafval. In hun boek ‘Stinzenplanten’ beschrijven Piet Bakker en Evert Boeve de Witte narcis als stinzenplant. Op diverse buitenplaatsen in de Vechtstreek is deze Zuid-Europese soort aangeplant. De kroonslippen zijn zuiver wit en de bijkroon vormt een klein, geel-oranje kopje. Deze soort bloeit later dan de Wilde narcis, met heerlijk geurende bloemen.
- Cultivars en botanische narcissen
De grootste en bekendste soorten bezitten een bijkroon die de vorm van een trompet heeft, vandaar de naam ‘trompetnarcis’. Die naam wordt door kwekers gebruikt als aanduiding voor de groep narcissen met één bloem per steel en een trompet even lang of langer dan de kroonslippen. Bekende cultivars in deze groep zijn ‘King Alfred’ en ‘Carlton’. In de wat oudere flora’s van Heukels wordt de naam ‘Trompetnarcis’ gegeven aan een ondersoort van onze wilde narcis, N. pseudonarcissus subsp. major. Die bloeit iets iets later dan de Wilde narcis, met bloemen die boven de bladeren uitsteken; de kroonslippen zijn net zo geel als de trompet. In de huidige 23e druk van de Heukels wordt de Trompetnarcis echter niet meer als ondersoort genoemd.
Naast de trompetnarcissen onderscheidt men nog andere groepen, zoals de kortkronige narcissen, de Triandrus- of sternarcissen (die afstammen van N. triandrus), cyclaamnarcissen, jonquillen en dichtersnarcissen (afstammelingen van N. poëticus). De echte soorten vat men onder de naam ‘botanische narcissen’. Hieronder zijn verschillende soorten die hun naam aan de bloemvorm te danken hebben, zoals de Hoepelroknarcis (N. bulbocodium) en de Cyclaamnarcis (N. cyclamineus).
- Tuinplanten
Narcissen zijn geliefde tuinplanten, die volgens Bakker en Boeve al sinds de Romeinse tijd worden gekweekt. Sommige soorten, zoals de jonquillen en de dichtersnarcissen, hebben een heerlijke geur. Zoals gezegd verwilderen narcissen makkelijk. U kunt dat zelf uitproberen. Rond deze tijd is de kleine, tweebloemige ‘Tête-à-tête’ volop verkrijgbaar in tuincentra en supermarkten, opgeplant op potjes. Zet de bollen na de bloei met loof en al op een beschut plekje in de tuin, dan wordt u volgend voorjaar beloond met vrolijke gele narcisjes.
Op gunstige groeiplaatsen weten narcissen jarenlang stand te houden. Daarom waren ze ook populair in ‘wilde’ tuinen en tuinen aangelegd volgens de Engelse landschapsstijl. Ze worden ook wel toegepast in gazons, maar het nadeel is dat het blad niet afgemaaid mag worden. Dat moet langzaam afsterven om de plant de kans te geven krachtige bollen te vormen. In de tuin hoeven narcissen maar eens in de 5 jaar opgerooid en uitgeplant te worden, als ze maar jaarlijks wat mest en kalk krijgen. De voornaamste eis is dat de grond altijd een beetje vochtig is; op dorre grond doen ze het niet goed. Kennelijk hadden de Grieken en Romeinen dat al in de gaten, toen de mythe van Narcissus ontstond.
- Narcisvlieg
In sommige jaren komen de narcissen in mijn tuin niet erg uitbundig tot bloei. Ik wijt dat aan de larven van de Grote narcisvlieg. Deze zweefvlieg legt eitjes aan de voet van de plant. De larve baant zich een weg door de bolbodem en vernielt de stengelknop in de kern van de bol. Kwekers bestrijden de narcisvlieg tegelijk met stengelaaltjes door narcissenbollen na de oogst te ‘koken’. Dat houdt in dat de bollen 2 uur lang worden ondergedompeld in water van 43,5°C, een milieuvriendelijke bestrijdingsmethode die al in de jaren 20 van de vorige eeuw werd uitgevonden. Verdere besmetting van een partij bollen wordt daarmee voorkómen. Voor gewone tuinliefhebbers als ik is dat helaas te omslachtig.
- Galantamine, geneesmiddel uit narcissen
Narcissen bevatten bepaalde alkaloïden, stoffen die de plant en de bol oneetbaar maken voor veel dieren, behalve voor zo’n gespecialiseerd insekt als de narcisvlieg. Het bekendste alkaloïd in de narcis is galanthamine, een vrij gifitige stof. Het meeste zit in de bollen, maar ook in het loof kan het gehalte hoog zijn. Galantamine heeft een remmende werking op cholinesterase, een enzym dat betrokken is bij de overdracht van zenuwprikkels. Op grond van deze werking heeft het een toepassing gekregen als geneesmiddel voor patiënten met de ziekte van Alzheimer. Bij lichte tot matige dementie , om het proces van dementie af te remmen.
In Groot-Brittannië worden reeds narcissen geteeld voor galantamine. Ook in Nederland is onderzocht in hoeverre de teelt van narcissen voor de productie van galantamine rendabel is. Het eindrapport van dit onderzoek, waar ook Universiteit Leiden bij betrokken was, werd eind maart 2011 in Leiden gepresenteerd. Natuurlijk brachten de aanwezigen van die presentatie een bezoek aan de Leidse Hortus, die symbool stond voor de introductie van bolgewassen in Nederland.
- Narcissen in de Leidse Hortus
Dat bezoek aan de Hortus was niet zo’n gekke keuze. Carolus Clusius had al een respectabel aantal narcissen in zijn collectie, die hij ook in zijn boeken beschreven heeft. Zo noemde hij de ‘Paper White’ die wij rond kerstmis in de huiskamer al in bloei hebben, ‘Narcissus totus albus prior’ ( de eerste geheel witte narcis). Deze narcis is niet winterhard, dus u zult ze vergeefs zoeken in de Clusiustuin, maar wellicht ontdekt u daar wel de jonquille (N. juncifolius), een welriekend narcisje met rolronde bladeren als van een rus (Juncus). In de Varentuin zijn elk jaar wel de N. minor of de Wilde narcis, N. pseudonarcissus te vinden. Nieuwsgierig geworden? Kom dan naar de narcissententoonstelling, of naar de zondagwandeling in de Hortus op 8 april, getiteld: De geelste, de giftigste… narcissen en andere bolbloeiers. Aanvang 12.00 uur, start in de Voortuin. Graag tot ziens in de Hortus!


